Algemeen zonnepanelen

Zonnecellen zijn meestal gemaakt van silicium. Dat silicium bestaat uit twee lagen. Onder invloed van licht gaat er tussen de twee lagen een elektrische stroom lopen. Met een vakterm heten zonnepanelen daarom ook wel fotovoltaïsche cellen (van phos = Grieks voor licht, en Volta, naar de eenheid van elektrische spanning). Afgekort wordt gesproken van PV-systemen. Een andere vorm van PV zijn de elementen gemaakt met de thin-film technologie. Bij deze technologie wordt gebruik gemaakt van amorf-silicium. Deze elementen kennen een lagere opbrengst, maar zijn ook beduidend goedkoper. Groot voordeel ten opzichte van de mono-kristalijne of poly-kristalijne cellen is dat de amorfe cellen altijd, zelfs bij een bewolkte hemel, een zeker rendement opleveren.

Fotovoltaïsche zonnepanelen benutten zonlicht of daglicht, waarbij door de inslag van fotonen uit het licht op de zonnecellen, spanning ontstaat die wordt gebruikt om elektriciteit op te wekken. De technologie heet fotovoltaïsche zonne-energie (meer hierover op fotovoltaïsche cel). De fotovoltaïsch opgewekte zonnestroom kan aan het lichtnet geleverd worden (netgekoppeld systeem), in accu’s opgeslagen worden (voor verlichting of bijvoorbeeld communicatiesystemen op afgelegen plekken) of direct gebruikt worden om bijvoorbeeld een pomp aan te drijven (autonoom systeem).

De opbrengst van een zonnepaneel en/of een zonneboiler is niet alleen afhankelijk van de grootte, maar ook van de hellingshoek van het dak en de stand van het dak. Als de hellingshoek tussen de twintig en zestig graden ligt en het paneel op het zuiden is gericht, is de opbrengst optimaal.

Ook als het bewolkt is, werkt een zonnecel. Wolken houden slechts een deel van het zonlicht tegen, de rest van de stralen verspreiden ze. Aan de Franse Riviera, waar veel minder bewolking is, levert de zon toch slechts 1,5 keer zoveel energie als in Nederland.