Afwijkingen

Een kompas wijst altijd naar het magnetische noorden, dit komt niet overal op aarde overeen met het geografische noorden. De lokale afwijking,  variatie genoemd moet verrekend worden bij het uitzetten van een richting. De grootte en richting van de variatie staat altijd vermeldt op zeekaarten en in almanakken. De variatie verandert over het algemeen slechts langzaam, zodat verrekenen goed mogelijk is.
De variatie in Nederland is ongeveer ½° west, zodat het magnetische noorden hier bijna samenvalt met het geografische Noorden. Elders op de wereld kunnen variaties tot tientallen graden optreden, in de buurt van de polen is de variatie zelfs zo groot dat een kompas geheel onbruikbaar wordt.

Naast de variatie is er nog een afwijking, de deviatie. Deze speelt met name een rol op ijzeren schepen, waar het metaal van het schip invloed uitoefent op het magnetisch veld waarnaar het kompas zich richt. Om de deviatie te compenseren wordt het kompas ‘gesteld’, hierbij worden kleine magneetjes in de buurt van het kompas aangebracht, daarna wordt nog van een aantal gelijkmatig over de cirkel verdeelde koersen bepaald wat de miswijzing van het kompas is. Deze miswijzingen worden in tabelvorm bij het kompas bewaard.

Een derde afwijking wordt veroorzaakt door de magnetische inclinatie, het verschijnsel dat de magnetische veldlijnen niet evenwijdig aan het aardoppervlak lopen maar hellen. Een kompasnaald op het noordelijk halfrond zal met zijn noordpool naar beneden willen duiken, op het zuidelijk halfrond helt het veld naar het zuiden. Dit kan eenvoudig gecompenseerd worden door de tegenoverliggende kant iets zwaarder te maken, dit maakt een kompas voor het noordelijk halfrond echter minder bruikbaar op het zuidelijk halfrond en vice versa. Ook maakt het op deze manier uitbalanceren kompassen gevoeliger voor versnellingen